Regionaal trainen en toetsen: slimmer omgaan met verpleegkundige capaciteit

Zorgorganisaties in de regio Zwolle bundelen hun krachten om zorgmedewerkers efficiënter te trainen en te toetsen op risicovolle en voorbehouden handelingen. Door regionale samenwerking ontstaat meer continuïteit, kwaliteit en ruimte voor vakmanschap – zonder extra druk op de toch al schaarse verpleegkundige capaciteit.

De uitdaging: meer zorgvraag, minder verpleegkundigen
De zorgvraag in de regio Zwolle groeit, terwijl het aantal beschikbare verpleegkundigen onder druk staat. Tegelijkertijd moeten zorgorganisaties kwaliteit en cliëntveiligheid blijven borgen. Dat betekent dat medewerkers aantoonbaar bekwaam moeten zijn in het uitvoeren van risicovolle en voorbehouden handelingen.
Niet iedere organisatie beschikt intern over verpleegkundigen die deze training en toetsing kunnen verzorgen. En als die deskundigheid wel aanwezig is, vraagt het onderhouden van hun bekwaamheid ook structurele inzet: die verpleegkundigen moeten zelf ook periodiek geschoold en getoetst worden, vaak door externe partijen. 

De oplossing: regionale samenwerking
Acht zorgorganisaties in de regio Zwolle – Ambiq, Baalderborg, Careander, Frion, InteraktContour, Omega Groep, Philadelphia, Stichting Sprank en Profila Zorggroep – werken sinds 2026 samen aan regionaal trainen en toetsen. Yvonne Kremer is als projectleider verantwoordelijk voor de coördinatie.

Het uitgangspunt
Regionaal samenwerken in training en toetsing is geen doel op zich, maar een middel om slimmer om te gaan met schaarse verpleegkundige capaciteit en beschikbare expertise. Door kennis en deskundigheid te delen, ontstaat ruimte om vaker en consistenter te scholen en te toetsen dan wanneer organisaties dit ieder afzonderlijk organiseren.

Hoe werkt het?

  1. Aanmelding via de eigen organisatie
    Een medewerker die een risicovolle of voorbehouden handeling moet leren of herhalen, wordt aangemeld door de eigen organisatie. Deze beoordeelt of de training passend en noodzakelijk is.
  2. E-learning als basis
    Aan de praktijktraining gaat altijd een e-learning vooraf. Zonder afgeronde e-learning vindt geen praktijktraining plaats.
  3. Praktijktraining
    Tijdens de praktijktraining wordt de handeling stapsgewijs geoefend, met aandacht voor veiligheid, risico’s en de juiste werkwijze. Training kan individueel of in teamverband plaatsvinden.
  1. Objectieve toetsing en bekwaamverklaring
    De toetsing wordt uitgevoerd door een verpleegkundige die hiervoor deskundig en bekwaam is. De uitkomst van de toetsing is helder: de medewerker is bekwaam of (nog) niet bekwaam om de handeling zelfstandig uit te voeren.
  2. Verantwoordelijkheid bij de organisatie
    De verantwoordelijkheid voor de geldigheid van bekwaamheid, het vastleggen daarvan en het tijdig aanvragen van (her)scholing ligt bij de individuele organisaties.

De voordelen: kwaliteit, continuïteit en efficiëntie

  • Minder druk op verpleegkundige capaciteit
    Door regionale samenwerking hoeven organisaties niet zelf alle trainingen en toetsingen te organiseren. Verpleegkundigen kunnen zich richten op zorgverlening, terwijl de scholing efficiënt en kwalitatief hoogwaardig wordt geregeld.
  • Eenduidige kwaliteit en veiligheid
    De regionale training en toetsing vinden plaats op basis van gezamenlijke uitgangspunten en geldende protocollen. Hierdoor wordt gewerkt met een vergelijkbaar kwaliteitsniveau.
  • Ruimte voor vakmanschap en ontwikkeling
    Training en toetsing worden gezien als onderdeel van een continu leerproces. Het gaat niet alleen om het voldoen aan eisen, maar om het versterken van vakmanschap en het samen leren en verbeteren.
  • Toekomstbestendig en schaalbaar
    Het regionale kader is zo opgesteld dat nieuwe organisaties eenvoudig kunnen aansluiten en dat nieuwe handelingen kunnen worden toegevoegd.

Samen leren, samen verbeteren
Het regionale trainen en toetsen is geen statisch project, maar een doorlopend leerproces. Maandelijks komt een projectgroep bijeen om ervaringen uit de praktijk te delen en het aanbod waar nodig aan te passen.

Door maandelijks gezamenlijk te evalueren en te leren van de praktijk, blijft het regionale trainen en toetsen aansluiten bij de behoeften van organisaties en draagt het bij aan kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg in de regio.

Meer weten?
Dit project is een initiatief van Ambiq, Baalderborg, Careander, Frion, InteraktContour, Omega Groep, Philadelphia, Stichting Sprank en Profila Zorggroep, in samenwerking met het verpleegkundig aanrijdteam regio Zwolle.

Vragen of interesse in deelname?
Neem contact op met Yvonne Kremer, projectleider Regionaal trainen en toetsen, via yvonne.kremer@g-aan.nl of 06 – 23 48 33 47. 

Nieuwe stap voor Maatschappelijke GGZ en gehandicaptenzorg in Drenthe

De maatschappelijke GGZ en de gehandicaptenzorg in Drenthe gaan nauwer samenwerken. Eveline Bakker, programmamanager Maatschappelijke GGZ in Drenthe, legt uit waarom dit nodig is en hoe dit inwoners meer rust, duidelijkheid en passende ondersteuning oplevert.

“Met alle betrokken GGZ‑organisaties, gemeenten, G‑AAN en het zorgkantoor zetten we dit jaar een stap vooruit. We brengen de maatschappelijke GGZ en de gehandicaptenzorg dichter bij elkaar. Niet door structuren te veranderen, maar door slimmer samen te werken.

We delen expertise, stemmen beter af bij complexe situaties en organiseren ondersteuning zoveel mogelijk zo thuis, zo licht en zo digitaal mogelijk. Het doel is simpel: zorgen dat inwoners niet meer tussen systemen vallen.”

Waarom is dit het juiste moment voor intensievere samenwerking?
“De zorg verandert snel. Steeds meer mensen met een Wlz‑indicatie wonen in de wijk, en gemeenten krijgen daardoor vaker te maken met zorgmijding, overlast of crisissituaties. Tegelijkertijd werken we binnen de maatschappelijke GGZ aan herstelgericht begeleiden en soepele doorstroom, en veel van die vraagstukken raken ook de gehandicaptenzorg. Het is dus logisch om de samenwerking tussen beide domeinen te verdiepen. 

Binnen de gehandicaptenzorgorganisaties die zijn aangesloten bij G‑AAN, is bestuurlijke instemming om de samenwerking met de GGZ te versterken. Daarnaast hebben de GGZ‑organisaties onderling een convenant gesloten waarin deze gezamenlijke beweging is vastgelegd. Samen vormen deze afspraken een stevige en waardevolle basis voor de volgende stap.”

Hoe ziet de ontwikkeling er de komende tijd uit?
“We richten dit jaar gezamenlijke werkgroepen in, organiseren leerbijeenkomsten en gebruiken één gedeelde koers. Ook verkennen we regionale oplossingen, zoals gezamenlijke nachtzorg, een eenduidig escalatiemodel en digitale consultatie. Het gaat vooral om beter samenwerken rondom inwoners: elkaar sneller vinden, informatie delen waar dat mag en expertise inzetten waar die het meeste oplevert.”

Wat betekent dit voor cliënten – en voor professionals?
Voor inwoners en professionals verandert er op dit moment misschien nog niet veel, maar straks wel: meer rust, minder gedoe en sneller passende ondersteuning. Wanneer er iets speelt, weten organisaties elkaar beter te vinden. Dat voorkomt escalaties en geeft cliënten én hun netwerk meer stabiliteit.

Voor professionals wordt het werk overzichtelijker: kortere lijnen, minder eilandvorming en meer gedeelde kennis. Dat scheelt tijd en stress en verhoogt de kwaliteit van zorg.

Wat wil je de regio graag meegeven?
“Deze beweging doen we niet voor de systemen, maar voor de mensen om wie het gaat. Door nu te investeren in samenwerking, creëren we een sociaal‑mentaal zorglandschap waarin iedereen kan wonen, meedoen en zich veilig voelen. En het mooie is: we hoeven het niet perfect te doen; als we het maar samen doen.”

Rust en efficiëntie door regionale aanrijdteams 

Het begon met een probleem dat steeds nijpender werd. Huisartsen trokken zich stap voor stap terug uit de zorg voor cliënten in de Wlz. Vooral in de avond, nacht en het weekend werd het steeds lastiger om passende medische zorg te organiseren. Voor begeleiders en organisaties leidde dat tot onzekerheid, extra druk en soms tot oplossingen die eigenlijk niet logisch voelden.

“We zagen dat iedereen worstelde met dezelfde vraag,” vertelt Yvonne Kremer, projectleider Medisch Generalistische Zorg bij G-AAN. “Wie kan je inzetten als het eigen verpleegkundig team niet beschikbaar is? Of thuiszorg een stop heeft?” 

Samen vinden we een oplossing
In de regio Zwolle besloten gehandicaptenzorgorganisaties het probleem niet langer individueel te benaderen. In plaats daarvan gingen zij samen aan tafel. Niet met de ambitie om meteen een groots model neer te zetten, maar om eerst scherp te krijgen waar het écht misging. Al snel werd duidelijk: het probleem zat niet alleen in capaciteit, maar vooral in de manier waarop zorgvragen werden beoordeeld en opgeschaald.

De eerste doorbraak was de gezamenlijke triage. Waar voorheen iedere organisatie een eigen verpleegkundige bereikbaarheidsdienst had, werd nu regionaal bekeken wat er nodig was. “Dat was een enorme omslag,” zegt Yvonne. “Voor het eerst gingen we werken volgens het step-care-principe: pas opschalen als dat ook echt logisch is.”

De tweede mijlpaal: twee regionale aanrijdteams
In december 2024 volgde de volgende stap: de start van twee verpleegkundige aanrijdteams in de regio, met daarin verpleegkundigen die ingezet worden voor meerdere organisaties in de regio. Niet als vervanging van bestaande zorg, maar als gerichte aanvulling.

Het effect liet niet lang op zich wachten. Dankzij goede triage en duidelijke urgentiecodes rijden verpleegkundigen alleen uit als hun expertise nodig is. Ze krijgen vooraf heldere informatie over de cliënt, locatie en handeling. “Als ze nu op pad gaan, weten ze precies waarom,” vertelt Yvonne. “Dat voorkomt onnodige ritten en scheelt enorm in belasting.”

Centrale triage en daadkrachtige samenwerking 
De aanrijdteams werken volgens het step-care-principe. Zorgvragen worden eerst beoordeeld via een centrale triage en alleen wanneer verpleegkundige inzet echt iets toevoegt, rijdt een team uit. Dat voorkomt onnodige inzet en maakt het mogelijk om met beperkte capaciteit toch bereikbare zorg te organiseren. “Je wilt geen verpleegkundigen laten rijden omdat het ‘zo hoort’,” zegt Yvonne. “Ze moeten op pad gaan omdat het logisch is.”

Vanaf de start is gekozen voor een stevige samenwerkingsstructuur. Maandelijks komen de betrokken organisaties bijeen in een projectgroep, met aan tafel managers die mandaat hebben om besluiten te nemen. Die manier van werken blijkt essentieel. “Als we iets signaleren, kunnen we vaak dezelfde dag nog bijsturen,” vertelt Yvonne. “Zo blijven we niet hangen in goede bedoelingen waarop geen actie volgt.”

Kwaliteit staat centraal
Om aan de groeiende vraag te voldoen, is het aanrijdgebied inmiddels verruimd van dertig naar vijfenveertig minuten. Die keuze is bewust gemaakt. Spoedsituaties blijven leidend; planbare zorg krijgt ruimte. “We zagen dat we met de huidige productiviteit die zorgvraag aankunnen,” licht Yvonne toe. “Dan durf je ook iets op te rekken, zonder dat het ten koste gaat van kwaliteit.”

Tegelijkertijd blijft het uitgangspunt dat zorg regionaal wordt georganiseerd, niet centraal. In andere gebieden ontstaan vergelijkbare MGZ-samenwerkingen. Voor G-AAN is dat geen bedreiging, maar een logische ontwikkeling. “Wij delen graag onze ervaringen en onze aanpak,” zegt Yvonne, “maar het eigenaarschap moet bij de regio zelf blijven.”

Ook winst voor verpleegkundigen: weer de meer de inhoud in
“Als je een verpleegkundige vraagt waarom hij of zij voor dit vak heeft gekozen, dan hoor je vaak hetzelfde,” zegt Yvonne. “Het gaat om het vak. Om handelingen uitvoeren, klinisch redeneren, verantwoordelijkheid dragen. Dat kwam in veel organisaties te weinig terug.”

De aanrijdteams brengen daar verandering in, omdat verpleegkundigen worden ingezet wanneer hun expertise daadwerkelijk nodig is: bij onverwachte situaties, bij minder vaak voorkomende of complexere handelingen en bij het overdragen van kennis aan begeleiders. 

Een belangrijk onderdeel van die werkwijze is het scholen van begeleiders in de praktijk. Als een cliënt bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname thuiskomt met nieuwe verpleegkundige zorg, leren verpleegkundigen van het aanrijdteam begeleiders hoe zij die zorg zelf kunnen uitvoeren. “Niet in een klaslokaal en niet op een oefenpop,” zegt Yvonne, “maar bij de cliënt zelf. Dat is veel effectiever.”

Meer afwisseling, uitdaging, regie en een grotere bekwaamheid
Daarnaast krijgen verpleegkundigen een grotere rol in kwaliteit van zorg. Doordat zij regelmatig op verschillende locaties komen, zien ze wat er speelt op de werkvloer. Ze adviseren over medicatieveiligheid, hygiëne en infectiepreventie en vormen zo een schakel tussen beleid en praktijk. “Ze zijn eigenlijk onze ogen en oren in het primaire proces.”

Die herpositionering van het vak heeft zichtbaar effect. Verpleegkundigen ervaren meer regie, meer afwisseling en meer inhoudelijke uitdaging. Dat vertaalt zich in meer werkplezier en een grotere bereidheid om in de gehandicaptenzorg te blijven werken. Vacatures blijken makkelijker te vervullen, juist omdat het perspectief duidelijker is.

Om die professionalisering verder te versterken, wordt gewerkt aan aanvullende scholing. Verpleegkundigen leren daarbij ook hoe zij collega’s van andere organisaties kunnen toetsen en begeleiden, op een objectieve manier. “Dat verhoogt de kwaliteit,” legt Yvonne uit, “maar ook het gevoel van vakmanschap.”

Volgens haar is dat essentieel voor de toekomst van de zorg: “Als we willen dat verpleegkundigen blijven, moeten we ze ook echt de ruimte geven om verpleegkundige te zijn. Deze manier van werken helpt daarbij.”

Digitale expertise toevoegen: hulp bij cliënten met een VG6/VG7-indicatie

Samen werken aan specialistische zorg die wérkt

Hendrike Fonteine is manager van de Cosis Poli en werkzaam als GZ-psycholoog/orthopedagoog. Vanuit haar rol in het MGZ-transitieteam is zij nauw betrokken bij de ontwikkeling van een regionaal expertisecentrum voor mensen met een verstandelijke beperking. Vanuit die combinatie van praktijk, organisatie en transitie vertelt zij over de ontwikkelingen richting een regionaal expertisecentrum

Binnen de Medisch Generalistische Zorg (MGZ) wordt al volop samengewerkt aan een concreet, gezamenlijk aanbod voor mensen met een verstandelijke beperking. Het gaat hierbij om handicap-gebonden problematiek en daaruit voortkomende psychische problematiek. Een mooi voorbeeld daarvan is de ontwikkeling van de regiopoli binnen de regiohub Drenthe: een samenwerking waarin gespecialiseerde poli’s van Cosis en Vanboeijen hun krachten bundelen, zodat cliënten sneller op de juiste plek terechtkomen en expertise beter wordt benut.

Een van de kartrekkers van deze ontwikkeling is Hendrike Fonteine, die vanuit het transitieteam nauw betrokken is bij de vormgeving van een overkoepelend regionaal expertisecentrum voor mensen met een verstandelijke beperking.

Waarom deze samenwerking nodig is

“Wat we in de praktijk steeds weer zien,” vertelt zij, “is dat psychische problematiek veel vaker voorkomt bij mensen met een verstandelijke beperking dan bij mensen met een gemiddeld IQ. Toch sluit het reguliere GGZ-aanbod vaak onvoldoende aan. Cliënten worden afgewezen op basis van IQ-criteria of komen terecht in trajecten die vastlopen, omdat de behandeling simpelweg niet passend is.”

De toegankelijkheid van de MGZ voor VG-cliënten staat dus onder druk. De toenemende complexiteit van de zorg en schaarste van professionals vraagt in de regio om een toekomstbestendige regionale samenwerking op het gebied van MGZ. Het is de bedoeling om expertise en capaciteit slimmer in te zetten om de toegankelijkheid van de medisch verpleegkundige zorg ook in de toekomst te kunnen borgen. Daarom is binnen de MGZ gekozen voor een regionaal expertisecentrum waarin gespecialiseerde kennis uit de gehandicaptenzorg wordt samengebracht. 

Binnen dit centrum krijgt het aanbod vorm langs drie lijnen: een verpleegkundige triagedienst, verpleegkundige aanrijdteams en een regiopoli voor psychische en medische behandeling, specifiek afgestemd op mensen met een verstandelijke beperking.

Wat er nu al gebeurt: samen optrekken in de poli’s

De regiopoli als onderdeel van een regionaal expertisecentrum is geen toekomstmuziek, maar groeit nu al stap voor stap. Cosis en Vanboeijen – beide deelnemende organisaties binnen de MGZ – beschikken ieder over een eigen poli voor deze doelgroep. In plaats van los van elkaar te blijven werken, zijn zij samen gaan verkennen hoe het aanbod beter op elkaar kan aansluiten.

“Wat ons opviel,” vertelt Hendrike, “is hoeveel overlap er eigenlijk al is. Cliënten kunnen bij Vanboeijen grotendeels hetzelfde aanbod krijgen als bij Cosis. Tegelijkertijd hebben we ieder ook eigen accenten en aanvullingen. Door die slim te combineren, ontstaat er een veel sterker regionaal geheel.”

Beide poli’s werken met vergelijkbare disciplines, zoals GZ-psychologen en orthopedagogen-generalist, artsen VG, vaktherapeuten en paramedici. Door die overeenkomsten ontstaat ruimte om van elkaar te leren, wachtlijsten beter te managen en cliënten sneller naar de juiste plek te begeleiden. 

Van verkennen naar doen

Een concrete stap in januari ’26 is de detachering van een behandelaar, van de Cosis-poli naar de poli van Vanboeijen. Zo wisselen we schaarse professionals uit, zodat we de juiste persoon, op de juiste plek, op het juiste moment hebben. Een waardevolle bijvangst hiervan is dat we inzage krijgen in elkaars werkwijzen, proces en keuzes.

“Het gaat ons niet om één centrale plek,” benadrukt Hendrike. “Juist door het aanbod regionaal te organiseren, op meerdere locaties, houden we de zorg dichtbij en toegankelijk. Tegelijkertijd benutten we de schaarse specialistische capaciteit veel slimmer op meerdere locaties, maar wel met één centrale en goed zichtbare toegang”

Vooruitkijken: schaalbaar en toekomstbestendig

Hoewel de MGZ-samenwerking zich in eerste instantie richt op Drenthe, wordt bewust gewerkt aan een aanpak die ook toepasbaar is in Groningen. Cosis werkt net als meerdere zorgorgansiaties in beide regio’s, en die regionale samenhang biedt kansen om het gezamenlijke aanbod verder te versterken.

De ambitie is helder: toewerken naar een regionaal expertisecentrum waarin meerdere organisaties samen zorg bieden aan mensen met een verstandelijke beperking. Niet als los initiatief, maar als logisch onderdeel van een bredere beweging binnen de MGZ: de juiste cliënt, op het juiste moment, op de juiste plek, samen georganiseerd.

Unieke, intensieve behandeling van traumaklachten bij LVB

Bij Ambiq hebben ze jarenlange ervaring met de zeer intensieve traumabehandeling (ZIT) voor kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking met ingrijpende ervaringen. De jonge cliënten verblijven twee keer vier dagen intern, in een warme, traumasensitieve setting. “Hun spanningsniveau daalt, ze voelen zich veiliger en doen weer beter mee in het dagelijks leven.”

Zeer intensieve traumabehandeling: kortdurend en in een traumasensitieve omgeving

Soms is één sessie per week niet wat iemand nodig heeft. Bij Ambiq behandelen ze kinderen en jongeren met ingrijpende ervaringen, vaak in combinatie met een licht verstandelijke beperking. Het zijn jongeren voor wie een ambulante behandeling niet altijd passend of toereikend is, bijvoorbeeld vanwege de heftigheid aan klachten. 

Juist voor deze groep ontwikkelde Ambiq een unieke aanpak: een korte, maar intensieve traumabehandeling, ingebed in een warme, vertrouwde omgeving. De aanpak van Ambiq combineert twee bewezen effectieve vormen van traumatherapie: imaginaire exposure en EMDR. Daarmee sluiten ze aan bij wat kinderen en jongeren nodig hebben op hun weg naar herstel.

Deze interventies, EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) en IE (Imaginaire Exposure) worden ingezet voor het verwerken van ingrijpende ervaringen. Kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB) lopen een groter risico op het meemaken van ingrijpende gebeurtenissen én zijn meer kwetsbaar voor de impact hiervan. 

Hoewel traumabehandeling steeds bekender wordt, is de aanpak voor kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking nog niet vanzelfsprekend. Het vraagt om een afgestemde manier van werken. “In de therapie sluit je aan bij het niveau en de belevingswereld van de jongere. Dat kan soms betekenen dat de sessies korter zijn, met veel visuele ondersteuning en in ons geval in een traumasensitieve setting,” zegt Sonja Kastelein, regiebehandelaar bij Ambiq.

Opname in een traumasensitieve omgeving
“De jongeren verblijven twee keer vier dagen bij ons,” vertelt Sonja. “Ze hebben overdag een vast programma, slapen op locatie en gaan in het tussenliggende weekend naar huis. Bij jongere kinderen gaat een ouder of andere steunfiguur mee.”

De behandelomgeving is bewust huiselijk ingericht, met een gezellige huiskamer en vaste begeleiders. “We willen dat jongeren zich hier snel veilig voelen,” legt regiebehandelaar Jorien van Dijk uit. “Dat is essentieel om echt aan de slag te kunnen.”

Ingrijpende ervaringen die diep doorwerken in gedachten en gedrag
De jongeren die voor deze behandeling in aanmerking komen, hebben vaak ingrijpende dingen meegemaakt. “We praten niet over lichte stress,” zegt Sonja. “Het gaat om jongeren met traumaklachten vanwege mishandeling, verwaarlozing, seksueel misbruik – gebeurtenissen die diep doorwerken in hun leven. Dat zie je terug in hun klachten: nachtmerries, herbelevingen, slecht slapen, boosheid of woede-uitbarstingen, zelfbeschadiging, zich terugtrekken.”

“Een ambulant traject, waarbij je één of twee keer per week een therapiesessie hebt, is dan niet altijd het meest passend voor deze jonge mensen,” zegt Jorien. “Met de zeer intensieve behandelvorm die wij aanbieden, kunnen we veel sneller tot de kern komen en soms is dat precies wat er nodig is.”

EMDR, imaginaire exposure en beweging
“Tijdens de vierdaagse therapieweek krijgen de kinderen en jongeren ’s ochtends therapie op basis van imaginaire exposure (een vorm van cognitieve gedragstherapie, waarbij je gedetailleerd je herinneringen beschrijft, om ze minder beladen te maken) en ’s middags op basis van EMDR. Daarnaast is er ruimte voor ontspanning, structuur en activatie, zoals beweging of creatieve activiteiten. Dit gebeurt allemaal in de aanwezigheid van de begeleider, die vanuit een ‘traumabril’ kijkt. Dat totaalpakket maakt het zo krachtig.”

De samenwerking tussen begeleiding en behandeling is hierin cruciaal. Er is een nauwe overdracht tussen de therapeuten en de begeleiders op de groep, zodat iedereen nauw betrokken is bij het proces. Jorien: “Een jongere heeft bijvoorbeeld EMDR gehad over een traumatische ervaring op school. Dan is het belangrijk dat de begeleiders die de jongere dagelijks zien, weten wat er speelt en hoe ze kunnen ondersteunen.”

Sonja: “We hebben geleerd hoe belangrijk het is om de betrokkenen goed mee te nemen in wat er gebeurt. Daarom geven we uitleg over trauma: wat het is, waarom behandeling nodig is en hoe zij de jongere kunnen ondersteunen. Op die manier voelen ook ouders, begeleiders en andere betrokkenen zich onderdeel van het proces, wat de effectiviteit van de behandeling vergroot.”

De kracht van korte lijnen en vertrouwen
Binnen het team van Ambiq zijn de lijnen kort. “We stemmen continu af,” zegt Jorien. “Dat is ook nodig, want het gedrag van de jongeren kan voor hun omgeving soms moeilijk te begrijpen zijn. Wij proberen juist te kijken naar wat er onder dat gedrag zit: de gedachten, gevoelens en ervaringen die iemand met zich meedraagt.”

“Het vertrouwen in elkaar én in de jongeren is de sleutel,” zegt Sonja. “We geloven dat herstel na ingrijpende ervaringen mogelijk is. En we laten zien dat we dat vertrouwen hebben.”

Echt iets in beweging zetten
De resultaten zijn hoopgevend. De kinderen en jongeren voelen zich veiliger, hun gedrag verandert en ze kunnen weer beter meedoen in het dagelijks leven. “Door intensief te werken, zet je in korte tijd echt iets in beweging,” zegt Jorien. “En dat is precies wat deze jongeren nodig hebben. Zo zien we bijvoorbeeld cliënten die eerst nachtmerries hadden, maar nu weer doorslapen. Of iemand durft ineens weer naar buiten, terwijl hij dat eerst weken niet kon. Maar ook kleinere veranderingen maken het verschil: minder gespannen zijn, beter contact kunnen maken, meer regie voelen.”

“Kortom, het totaalpakket – exposure, EMDR, activatie en een traumasensitieve omgeving – helpt jongeren om weer stappen vooruit te zetten,” vertelt Jorien. “En soms zijn dat maar hele kleine stapjes, maar wel stapjes die het verschil maken voor de toekomst.”

Regio Zwolle
Govert Flinckstraat 31
9021 ET Zwolle

Regio Drenthe
Lauwers 17
9405 BL Assen

Samen maken we de zorg in de regio toekomstbestendig. G-AAN brengt partijen bij elkaar die willen samenwerken, experimenteren en innoveren.

Naar contactformulier

Blijf als eerste op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief