Binnen de gehandicaptenzorg wordt het organiseren van nachtzorg steeds complexer. De nacht is een kwetsbare periode: er is minder personeel aanwezig, waardoor snelle en passende inzet cruciaal is.
Arbeidsmarktkrapte, stijgende kosten en een complexere zorgvraag maken dat de organisatie van nachtzorg per individuele aanbieder steeds minder houdbaar is. Om die reden hebben de bestuurders van Careander, Philadelphia en ’s Heeren Loo in de regio Noordwest-Veluwe de handen ineengeslagen. Samen onderzoeken zij hoe samenwerking in de nacht de continuïteit, kwaliteit en doelmatigheid van de zorg kan borgen.
Terry Brouwer, bestuurder van Careander, is nauw betrokken bij het initiatief. Zij ziet de urgentie dagelijks toenemen. “In de nacht zie je dat de zorg door de arbeidsmarktproblematiek vaak nog veel kwetsbaarder wordt. We gaan het op de lange termijn simpelweg niet meer redden om dit allemaal individueel te organiseren. De urgentie is dus groot.”
En het gaat nog om meer: “Uiteindelijk willen we een model waarin we sneller passende zorg kunnen bieden, elkaars expertise beter benutten en elkaar in de nacht kunnen bijstaan bij calamiteiten. Dat maakt de zorg niet alleen doelmatiger, maar vooral ook veiliger voor cliënten én voor onze medewerkers.”
De noodzaak van nabijheid
In de regio Noordwest-Veluwe is al eerder ervaring opgedaan met initiatieven zoals de Veluwse avond- en nachtzorg, maar die richten zich voornamelijk op de ambulante doelgroep. Dit nieuwe project heeft een heel andere, specifieke focus: de GZ-verblijfszorg. Het gaat hierbij om locaties waar fysieke aanwezigheid en actieve zorgverlening in de nacht noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld voor algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) of medicatietoediening.
“Dit initiatief is op dit moment echt gericht op de niet-ambulante zorg,” legt Terry uit. “Ambulante teams kunnen veel vragen telefonisch of digitaal afhandelen, of er kan bij een crisis een aanrijdteam worden georganiseerd. Maar hier gaat het over mensen die in de nacht structureel nabijheid nodig hebben. Dit zijn cliënten die bijvoorbeeld moeilijk te vervoeren of immobiel zijn.”
“Die doelgroep blijft bestaan, ook al is de landelijke trend en het inkoopbeleid voor 2027 sterk gericht op ambulantisering. Voor hen is het geen kwestie van wel of niet ambulantiseren, maar van een zorgvraag die simpelweg anders blijft. Ook voor deze cliënten is de nacht er in de eerste plaats om te slapen, en daarom willen we hen ook de fysieke en psychosociale veiligheid en geborgenheid bieden die daarbij hoort.”
Op dit moment is de inrichting van die zorg erg versnipperd en daardoor kwetsbaar. “Je kunt je afvragen of het nodig is dat er in de nacht, binnen een straal van een paar kilometer, bij elke organisatie standaard twee medewerkers als achterwacht beschikbaar zijn,” schetst Terry de huidige situatie. “Grote terreinen hebben vaak zwerfwachten die van locatie naar locatie gaan, maar voor kleinere, losse locaties is het heel kwetsbaar. Want wat doe je bij ziekte, of bij een calamiteit? Hoe snel weet je elkaar dan te vinden in de nacht?”
Klein beginnen voor echte slagkracht
De samenwerking start bewust kleinschalig in de regio Noordwest-Veluwe. Door eerst met drie partijen in een afgebakend geografisch gebied te beginnen, blijft het project behapbaar en is er direct slagkracht. “Het is geen groot papieren project dat we van bovenaf naar de praktijk brengen,” benadrukt Terry. “Het gaat erom: wat speelt zich hier in de praktijk af en hoe kunnen we dat met elkaar borgen? Juist door het klein te houden, kunnen we snel schakelen. In een later stadium kunnen andere organisaties ook aansluiten.”
Onder leiding van projectleider Ingrid Doezeman, bevindt het project zich momenteel in de onderzoeksfase. In deze eerste fase wordt de huidige situatie grondig geanalyseerd: hoe is de nachtzorg nu ingericht, welke cliënten wonen er, hoe wordt er uitgeluisterd en wat zijn de HR-aspecten en personele roosters?
Op basis van die inventarisatie worden een aantal realistische samenwerkingsscenario’s uitgewerkt en getoetst op hun organisatorische en financiële haalbaarheid. Na een bestuurlijk besluitmoment over het voorkeursmodel start in het najaar de daadwerkelijke realisatiefase in de Noordwest-Veluwe. Pas na een gedegen evaluatie wordt bekeken of en hoe dit model ‘copy-paste’ kan worden toegepast en opgeschaald naar de regio Zwolle.
Spanningsvelden in de praktijk
Hoewel iedereen de logica van samenwerken inziet, brengt een dergelijk verandertraject ook de nodige spanningen met zich mee. Het vraagt immers van organisaties dat zij bereid zijn over de eigen grenzen heen te kijken en bestaande werkwijzen los te laten.
“Samenwerken klinkt logisch en we ervaren allemaal dezelfde problemen, dus de bereidheid is er,” vertelt Terry. “Het wordt pas spannend als er echt iets verandert in de dagelijkse werkwijze. Medewerkers moeten straks misschien hun vaste gewoontes loslaten, of in de nacht naar een cliënt toe van een andere organisatie, die ze minder goed kennen. Dat zijn heel reële praktijkzaken, daarom is het belangrijk om deze samen met medewerkers goed door te spreken in de ontwerpfase en de voorbereiding op de nieuwe werkwijze.’
Om die reden is het zorgvuldig meenemen van medewerkers vanaf dag één een harde randvoorwaarde. Het projectteam wordt daarom gevuld door teammanagers van de drie organisaties, die de directe verbinding leggen met de locaties, de cliënten en de medezeggenschap. Ook externe partners, zoals de brandweer – met het oog op brandveiligheid en evacuatie in de nacht – worden nauw betrokken.
Daarnaast spelen er achter de schermen complexe, aanpalende processen. “Denk aan domotica. Sluiten de systemen van de verschillende organisaties wel op elkaar aan en kunnen we technologie centraal organiseren? En hoe richten we de toegang tot de elektronische cliëntendossiers (ECD’s) en de privacy in?”
Een duurzame stip op de horizon
Het uiteindelijke doel van het project is een toekomstbestendig en eenduidig model, waarin regie, rollen en verantwoordelijkheden tussen de zorgaanbieders glashelder zijn vastgelegd. Dat zorgt niet alleen voor een doelmatigere inzet van schaars personeel, maar versterkt direct de kwaliteit en de veiligheid van de zorg in de kwetsbare nachtelijke uren.
Dat het project financieel en procesmatig wordt ondersteund vanuit de regioaanpak G-AAN Zwolle, is volgens Terry een onmisbare stimulans. “Het helpt enorm dat er vanuit G-AAN middelen beschikbaar worden gesteld en dat er een projectleider is die faciliteert, agendeert en partijen samenbrengt. Het is in de dagelijkse praktijk, de going concern, ontzettend lastig om zelf die capaciteit vrij te spelen.”
Terry hoopt dat dit kleine project de opmaat is naar iets veel groters. “We streven naar een duurzame oplossing voor de lange termijn. Door dit project leren we elkaar in de regio echt kennen, en we zien dat waar mensen intensief samenwerken, er vaak ook op andere onderwerpen mooie dingen ontstaan. We kunnen veel van elkaar leren. Bovendien kan dit een enorme boost geven aan onze technologische ontwikkeling, wat er misschien wel toe leidt dat we in de toekomst naar één regionaal domoticasysteem toewerken. Het begint klein, maar het kan heel groot en betekenisvol uitpakken.”